Lijnen die iets vertellen
Een lijn is meer dan een rand. Recht of golvend, dik of dun, snel of traag: elke lijn geeft een gevoel. Zo kies je de lijn die past.
Onderwerpen
16 onderwerpen
Lijnen die iets vertellen, vorm en volume, textuur, patroon en symmetrie.
Een lijn is meer dan een rand. Recht of golvend, dik of dun, snel of traag: elke lijn geeft een gevoel. Zo kies je de lijn die past.
Een cirkel is plat, een bol heeft volume. Met licht, schaduw en een paar extra lijnen maak je van een vlakke vorm iets dat je bijna kunt vastpakken.
Ruw, glad, zacht of korrelig: met arceren, kruisarceren, stippelen en krabbelen teken je hoe iets aanvoelt, en maak je vlakken lichter of donkerder.
Herhaal een vorm en je krijgt een patroon. Varieer de afstand en er komt ritme in. Spiegel hem en je krijgt symmetrie. Zo maak je rust of juist spanning.
De kleurcirkel, complementaire kleuren, warm en koud, licht en schaduw.
Met drie primaire kleuren meng je de secundaire en de tertiaire. Verf mengt anders dan licht: verf wordt donkerder, licht wordt lichter.
Kleuren die op de kleurcirkel tegenover elkaar staan, maken elkaar feller naast elkaar en doffer als je ze mengt. Zo maak je contrast.
Rood, oranje en geel voelen warm, blauw, groen en paars koel. Warme kleuren lijken dichterbij te komen, koele en bleke kleuren wijken naar achteren.
Van wit naar zwart loopt een toonladder. Met hooglicht, halftoon, kernschaduw, reflectie en slagschaduw teken je hoe licht op een vorm valt.
Verhoudingen, perspectief met één en twee verdwijnpunten, compositie.
De ogen staan halfweg het hoofd en een volwassene is ongeveer zeven à acht hoofden groot. Met zulke hulpmaten teken je mensen die kloppen.
Lijnen die van je weg lopen, komen samen in één punt op de horizon. Met die regel teken je een straat, een gang of een kamer met diepte.
Zie je een gebouw van op de hoek, dan lopen de randen naar twee punten op de horizon. Verticale lijnen blijven verticaal.
Waar je iets in je beeld zet, verandert wat het vertelt. Met de derdelijnen, evenwicht en een blikvanger stuur je de blik van wie kijkt.
Kader en standpunt, figuratief en abstract, een kunstwerk lezen, kunst uit de Lage Landen.
Hoe dicht de camera komt en van waar ze kijkt, verandert wat je voelt. Totaal, medium, close-up en detail; vogel, ooghoogte en kikvors.
Een figuratief werk toont iets herkenbaars. Abstract werk laat dat los en spreekt met lijn, vorm en kleur. Daartussen ligt een glijdende schaal.
Beschrijven, analyseren, interpreteren, beoordelen. Met die vier stappen kijk je langer, zeg je meer dan mooi of lelijk, en onderbouw je je mening.
Van de Vlaamse Primitieven over Bruegel en Rubens tot Ensor en Magritte: zes eeuwen kunst van bij ons, en waar je ze vandaag echt kunt gaan zien.